Mannen en vrouwen ongelijk

Het komt vaak voor dat mannen en vrouwen niet dezelfde rechten hebben ondanks dat dit is vastgelegd in internationale mensenrechtenverdragen.

Zo gaan er in veel arme landen minder meisjes naar school dan jongens. Meisjes worden vaak niet naar school gestuurd omdat de ouders dit niet nuttig vinden. Ze gaan er vanuit dat het niet nodig is omdat ze later toch zullen trouwen en kinderen krijgen. Een andere reden om meisjes thuis te houden is omdat ze mee moeten helpen in het huishouden.

Elk jaar trouwen 10 miljoen meisjes onder 18 jaar en vaak tegen hun wil in. Hierdoor worden ze gescheiden van hun familie en vrienden, gaan dan niet meer om met leeftijdgenoten en krijgen dan vaak geen onderwijs meer. Het kan leiden tot dwangarbeid, slavernij en  commercie sexuele uitbuiting. Soms krijgen ze te vroeg kinderen hetgeen tot sterfte op het kraambed leidt. Het komt het meest voor in landen met grote armoede, een hoog geboortecijfer, hoog analfabetisme, slecht onderwijs en gebrekkige gezondheidszorg. 

Meer...

Mannen en vrouwen hebben formeel dezelfde rechten. Dit is vastgelegd in internationale mensenrechtenverdragen. In de praktijk blijkt dit echter niet voldoende om achterstelling van vrouwen tegen te gaan.

Zo gaan er in veel arme landen minder meisjes naar school dan jongens. Meisjes worden vaak niet naar school gestuurd omdat de ouders dit niet nuttig vinden. Ze gaan er vanuit dat het niet nodig is omdat ze later toch zullen trouwen en kinderen zullen krijgen. Een andere reden om meisjes thuis te houden is omdat ze mee moeten helpen in het huishouden. De doelstelling onder het derde millenniumdoel is daarom dat in 2015 er net zoveel meisjes als jongens naar school zouden moeten gaan, op zowel basis-, middelbaar als hoger onderwijs.

Voortgang

(laatste update: september 2015)

De ongelijkheid tussen jongens en meisjes is op alle onderwijsniveaus verminderd. Twee derde van de ontwikkelingslanden heeft de doelstelling van gendergelijkheid in het basisonderwijs behaald. Er blijven echter grote verschillen tussen regio’s en landen. Vooral in Zuid-Azië is veel vooruitgang geboekt en gaan meer meisjes naar school: in 1990 ging ten opzichte van het aandeel jongens maar driekwart van de meisjes naar de basisschool, in 2015 gaan net zoveel meisjes als jongens naar school. In de sub-Sahara regio zijn nog grote verschillen tussen het aandeel jongens versus meisjes dat in 2012 naar de basisschool gaat: meer dan de helft van de landen waarbij hiervan sprake is ligt in deze regio.

De cijfers van het voortgezet onderwijs geven ook een positieve trend aan hoewel sommige regio’s achterblijven. Het percentage meisjes in ontwikkelingslanden dat naar voortgezet of hoger onderwijs gaat in relatie tot jongens is tussen 1990 en 2015 gestegen van respectievelijk 77 naar 98 procent en van 69 naar 101 procent. Net als bij de andere millenniumdoelen bestaan er grote verschillen tussen de verschillende regio’s. In de Kaukasus, Centraal-Azië, Noord-Afrika, Zuidoost Azië, Zuid-Azië en Oost-Azië is gendergelijkheid in het voortgezet  onderwijs inmiddels behaald. In Afrikaanse landen beneden de Sahara, Oceanië en West-Azië en gaan nog steeds meer jongens dan meisjes naar school.  In Latijns-Amerika en de Caraïben gaan juist meer meisjes dan jongens naar het voortgezet onderwijs. De grootste genderongelijkheid is nog steeds te zien in het hoger onderwijs, waarbij alleen West-Azië het doel behaalt.

Arbeidsmarkt

Traditioneel werken veel vrouwen in ontwikkelingslanden in de landbouwsector en zijn zij ondervertegenwoordigd in andere sectoren. Dit maakt de positie van vrouwen kwetsbaar. Veel van het werk in de landbouwsector is onbetaald en vrouwen missen daardoor vaak de zekerheid en sociale bescherming die voortvloeit uit loonarbeid. Tussen 1990 en 2015 steeg het aandeel vrouwen dat buiten de landbouwsector werkzaam is wereldwijd gestaag; van 35 procent in 1990 tot een geschatte 41 procent in 2015. Maar ook hier zien we een groot verschil tussen gebieden. In Latijns-Amerika en sub-Sahara Afrika is er winst geboekt, terwijl Noord-Afrika geen vooruitgang laat zien (tussen 1990 en 2015 is het aandeel 19 procent). In 2015 ligt het geschatte aandeel vrouwen dat werkzaam is buiten de landbouwsector in Latijns-Amerika op 45 procent, in sub-Sahara Afrika op 34 procent en in West- en Zuid-Azië en Noord-Afrika op 21 procent. Ter vergelijking, in de ontwikkelde landen ligt dit percentage op 48 procent. In sub-Sahara Afrika vond de meeste groei plaats; tussen 1990 en 2015 nam het aantal vrouwen dat buiten de landbouw werkte met 10 procentpunten toe.

Vrouwen zijn minder vaak actief op de arbeidsmarkt dan mannen: van alle vrouwen van werkende leeftijd is in 2015 50 procent actief op de arbeidsmarkt ten opzichte van 77 procent van de mannen. Wereldwijd verdienen vrouwen bovendien 24 procent minder dan mannen. Participatie van vrouwen in de beroepsbevolking blijft bijzonder laag in Noord-Afrika , Zuid-Azië en West- Azië. Het zijn vooral huishoudelijke verantwoordelijkheden en culturele beperkingen die  vrouwen belemmeren om te gaan werken. Vrouwen zijn vaker werkzaam bij een bedrijfje van een familielid, waardoor ze weinig of geen financiële zekerheid hebben en geen recht op sociale uitkeringen. In 2015 is het aandeel van de werkende vrouwen werken als meewerkend gezinslid 18 procent, vergeleken met 7 procent van de werkende mannen.

Meer vrouwen in parlement

Wereldwijd is de politieke vertegenwoordiging van vrouwen in het parlement tussen 2000 en 2015 toegenomen van 14 tot 22 procent. Maar nog steeds is daarmee slechts één op de vijf parlementsleden vrouw. Het aandeel vrouwen in het parlement in ontwikkelingslanden steeg van 12 procent in 2000 tot 21 procent in 2015.  Interessant is dat deze aantallen geen grote verschillen vertonen met de ontwikkelde landen; daar steeg dit aantal van 16 naar 26 procent. Volgens prognoses voor 2015 scoren Latijns-Amerika en de Caraïben (27 procent), sub-Sahara Afrika (23 procent) het hoogst en Oceanië (4,4 procent), West-Azië (12 procent) en Zuid-Azië (18%) het laagst. Noord-Afrika verdient een aparte vermelding; daar steeg het aantal vrouwen van 4 naar 25 procent. Opvallend is dat van het totaal aantal parlementariërs per land, in verhouding de meeste vrouwelijke parlementariërs (meer dan 60 procent) in Rwanda te vinden zijn.

Conclusie

We zien veel vooruitgang als het gaat om gendergelijkheid in het onderwijs, de arbeidsmarkt en politieke participatie in de afgelopen twee decennia. Toch blijven meisjes en vrouwen in veel regio’s in de wereld achter ten opzichte van jongens en mannen, vooral op gebieden waar geen millenniumdoelen voor geformuleerd zijn, zoals ongelijke verdeling van zorg en huishoudelijk werk, ongelijke deelname aan besluitvorming en discriminatie en geweld tegen vrouwen en meisjes. Daarom is het verstandig om bij de nieuwe ontwikkelingsagenda het genderperspectief volledig te integreren in alle doelen.