E-Learning

Ga aan de slag. Succes !


Ontwerpregels bij opdrachten

Ontwerpregels bij opdrachten  

(naar Stan Frijters boek “Leren voor duurzame ontwikkeling - gewoon doen”). Zie ook hier


 


1. Maak opdrachten leerling gericht: 

• Sluit aan bij de mentale ontwikkeling (het niveau) van de leerling.

• Houd rekening met de benodigde (ecologische) voorkennis.

• Gebruik de context (leefwereld) van de leerling.

• Maak opdrachten en voorbeelden voor leerlingen herkenbaar, realistisch en betekenisvol.

• Werk met opdrachten die leerlingen in staat stellen zelf te (leren) handelen.

• Integreer in de leeractiviteit een gezamenlijke verkenning van het begrip leefwereld en van realistische en betekenisvolle contexten ervan.

• Geef leerlingen zoveel mogelijk inhoudelijke zeggenschap bij het kiezen van voor hen realistische en betekenisvolle contexten.

2: Maak opdrachten waarden georiënteerd en met kritisch denken
 

• Laat leerlingen afwegingen maken aan de hand van de drie-eenheid people, planet en profit.

• Laat leerlingen activiteiten uitvoeren waarvan het delen en uitwisselen van beargumenteerde standpunten en reflectie hierop een essentieel onderdeel vormt. 

• Laat leerlingen persoonlijke oplossingen formuleren en uitwisselen.

• Laat leerlingen eigen redeneringen expliciet maken.

• Laat leerlingen samen (morele) dilemma’s bespreken.

• Laat leerlingen samen oplossingen formuleren.


3: Breng participatie en samenwerking in de opdrachten

• Laat leerlingen de noodzakelijke (voor)kennis verwerven of verhelderen.

• Laat leerlingen samenwerken aan voor hen realistische en betekenisvolle taken in situaties waarin ze ook zelf kunnen handelen.

• Creëer leersituaties die leerlingen de kans geven om actief te zijn in buitenschoolse contexten en te participeren in realistische maatschappelijke issues rond duurzame ontwikkeling.

• Laat leerlingen samenwerken met actoren in of buiten de school.

• Pas de vijf sleutelbegrippen voor samenwerkend leren toe.

• Pas de drie vuistregels van Tielman toe.

1. De docent doet niets wat de leerlingen zelf kunnen. De ondersteuning wordt vooral 
bepaald door uitstel van hulp en vragend helpen. 

2. De docent verleent meerwaarde aan het samenwerkend leren van leerlingen, hetzij als scheidsrechter (veiligheid), hetzij als coach (de groep los van de docent laten leren met een beperkt aantal steunmomenten).
 

3. De docent zoekt naar een goede balans in het aansturen van groepen en maakt onderscheid tussen groepen die steun nodig hebben en groepen die het zelf kunnen.
 

Goede voorbeelden

Non-voorbeelden

• Opladen telefoon.

• Afval in de directe omgeving.

• Zelf groente kweken.

• Voeding; vlees of soja (conversie)?

• Ecologische voetafdruk van leerlingen.

• Petfles recyclen of verbranden?

• Diversiteit: vogelstand (verbeteren) in eigen omgeving.

• Aan de slag met duurzaamheids thema’s in de schoolomgeving.

• Biodiversiteit in de schoolomgeving.

• Toename najaarsstormen in Nederland.

• Dijkverzwaring ten gevolge van klimaatverandering.

• Nieuwe soorten dieren in Nederland.

• Besluit vestiging energiecentrale.

• Mondiale CO2-problematiek

zonder lokale component.

• Tropisch regenwoud en

biodiversiteit.

• Globale afname diversiteit.

• Niet te herleiden complexiteit

(oorzaak-gevolg).

• Een heldere, veilige leeromgeving. De manier van werken is niet

uitzonderlijk en wordt gezien als onderdeel van het reguliere

onderwijs.

• Open opdrachten en activiteiten, leerlingen moeten het gevoel

hebben dat hetgeen zij zelf inbrengen daadwerkelijk telt in het

proces.

• Keuzeopdrachten (waarom kies je voor … en niet voor …).

• Geef leerlingen bestaande dilemma’s om deze aan de eigen waarden

te verbinden.

• Gebruik casussen met leeftijdgenoten.

• Leerlingen formuleren een terugblik op de leeractiviteit.

• De docent is meer coach dan encyclopedie.

• Voer een gesprek over de zorg voor levende organismen.

• Gesloten opdrachten.

• Geen reflectie.

• Vanuit lineaire benadering

komen tot de oplossing voor

een probleem.

• Ethiek als theorie.

• Leerlingen werken (eventueel samen met de buurt) aan een schonere

en veiliger schoolomgeving, maar werken daarnaast ook een

preventieaanpak uit.

• De schoolleiding is betrokken.

• Leerlingen ontwerpen op basis van onderzoek een beheerplan

voor een park of waterpartij.

• Leerlingen organiseren schoolverkiezingen.

• De theorie van participerende

burgers.

• Leerlingen bedenken wat je

zou kunnen doen, maar het

blijft ‘droogzwemmen’.

• Groepswerk is wel samen

werken maar niet samen

leren.


Maak opdrachten actie - en handelingsgericht:

• Laat leerlingen de opbrengst van hun onderwijsactiviteiten (onderzoek) aan concreet handelen verbinden.

• Maak leerlingen bewust van het transformatieve karakter van de leeractiviteit.

• Laat leerlingen de handelingen zoveel mogelijk zelf uitvoeren.


Let op complexiteit en samenhang

• Gebruik voorbeelden met een voor leerlingen hanteerbare complexiteit.

• Laat leerlingen in complexe situaties werken met voor hen herkenbare duurzaamheidsissues.

• Werk aan het verwerven van inzicht in de verbanden die milieuproblemen kenmerken.

• Gebruik de combinatie van kennisverwerving en de ontwikkeling van vaardigheden en een eigen houding om de beoogde positieve synergie in LvDO te realiseren. 

Voorbeelden

Non voorbeelden

• Milieuzorg op school (in de klas).

• Inspraak in milieusparende ingrepen op school.

• In de groene schoolomgeving werken.

• Maatschappelijke stages.

• School scheidt geen of

nauwelijks afval.

• De Oostvaardersplassen, een ecosysteem zonder predatoren.

• Het troebel worden van meren door de toename van de brasem,

waardoor de waterplantengroei verdwijnt etc.

• Het isolement van ouderen door ontbrekende mantelzorg vanwege

tweeverdieners.

• Goedkope, niet-duurzame producten als gevolg van kinderarbeid

en armoede in de derde wereld.

• Bijen en de fruitproductie en de invloed van chemicaliën.

• Het uitsterven van gifkikkers

door verzuring in de

atmosfeer.

• Invloed van temperatuurstijging

op de waterstromen in

de oceaan en de weerpatronen

aan de kusten.

• Verarming van de informatievoorziening

in relatie tot

het medialandschap, en de

rol van reclame daarbij.

• Leerlingen nemen interviews af of inventariseren de mogelijkheden.

• Leerlingen zoeken zelf bronnen of data in een leerlingnabije, authentieke situatie.

• Leerlingen doorlopen de cyclus van actieonderzoek.

• Leerlingen krijgen kanten-

klare data of bronnen

aangereikt.

• Leerlingen werken aan een

opdracht waarbij de cyclus

van het actieonderzoek niet

kan worden volbracht.

• Laat leerlingen werken aan een concrete situatie met (meerdere) oorzaken en gevolgen, maar ook met meerdere mogelijke oplossingen.

• Gebruik herkenbare voorbeelden en bespreek de patronen hierin.

Bevorder een onderzoekende houding

• Laat leerlingen een (actie)onderzoek uitvoeren naar een voor hen herkenbaar, realistisch, betekenisvol en aan duurzaamheid gerelateerd probleem.

• Laat leerlingen in hun onderzoek de stappen voor actieonderzoek doorlopen.

• Laat leerlingen de opbrengsten van het actieonderzoek toepassen en evalueren.

Een voorbeeld

Guerilla-onderzoek

5 minuten onderzoek:

Hoe geeft je school vorm aan duurzaamheid?

Je hebt pen en papier

Je hebt 5 minuten

Wat ga je doen?

Quickscan duurzame school

In gesprek gaan:

Hoe ga je een gesprek aan met studenten?

Neem als uitgangspunt:

Ik weet dat ik niets weet. Dit wordt vaak als uitgangspunt genomen bij filosoferen. Het betekent dat je ook dat wat je al denkt te weten, opnieuw gaat onderzoeken.

Je gaat kijken waar je bepaalde gedachten of oordelen op baseert. Het filosoferen werkt aan de hand van vragen, waar je antwoord op gaat zoeken. Deze vragen
worden gesteld vanuit een gevoel van verwondering over de wereld om ons heen.

De rol van de docent

Richtlijnen voor de docent zijn:
1 Weet dat je niets weet.
2 Alles mag gezegd worden en alles wordt serieus genomen.
3 Laat de leerlingen zoveel mogelijk vanuit hun eigen ervaring praten.
4 Probeer tussendoor samen te vatten wat er gezegd is, in de woorden van de leerlingen zelf. Check of de leerlingen zich in de samenvatting kunnen herkennen.
5 Probeer verschillen in zienswijzen te verhelderen. Probeer er zo achter te komen waar leerlingen het wel met elkaar eens zijn en waar niet, en hoe het verschil verklaard kan worden.
6 Streef uiteindelijk naar consensus: Waarover kunnen we het eens zijn? Of zijn we het er slechts over eens dat we het nooit eens zullen worden?
7 Tip: Loopt het gesprek dood? Zoek de tegenstelling op. Bijvoorbeeld: Wat is geen (zwerf)afval?
8 Tip: Ga niet te lang door met het inventariseren van de antwoorden.
9 Laat iemand op een bepaald moment een begindefinitie geven: ‘Zwerfafval is dat wat....’
10 Ga na wie het hier wel/niet mee eens is. Met welk onderdeel zijn ze het niet eens, waarom?

De docent stelt geen inhoudelijke, maar verhelderende vragen, bijvoorbeeld:
• Wat is jouw ervaring hiermee?
• Kun je een voorbeeld geven?
• Waarom denk je dat?
• Heb je daar een bepaald gevoel bij?
• Hoe ben je op deze gedachte gekomen?
• Heb jij dezelfde ervaring als hij?
• Snap je wat zij bedoelt?
• Vind je dat belangrijk? Waarom?
• Vind je dat we hier iets aan moeten doen? Waarom?
• Is er iemand die hier anders over denkt?
• Hoe kan ik wat jullie hebben gezegd nu het beste in één zin (of een paar zinnen) opschrijven?
Bron: lespakket Zwervend afval; wanneer vind ik het erg? van Het Groene Wiel (onderdeel van IVN).